Leven met een Alcoholprobleem en Voedings- en Eetstoornissen




UITGANGSPUNT


ALCOHOLPROBLEEM


Alcoholgebruik is voor veel mensen onderdeel van een leefstijl geworden. Daarbij drinken de meesten zonder zichzelf of anderen in gevaar te brengen. Wanneer kun je nu spreken van problematisch alcoholgebruik? In de volksmond en de literatuur kom je veel termen tegen: sociaal of matig drinken, overmatig drinken, probleemdrinken, alcoholmisbruik, alcoholafhankelijkheid, alcoholverslaving, en nog veel meer.

Veel van deze termen zeggen weinig, want wat is sociaal, wat is matig of overmatig? Het lijkt handig om eenvoudigweg te kijken naar de hoeveelheid glazen die iemand drinkt, maar dat geeft een verkeerd beeld. Immers, mannen reageren anders op alcohol dan vrouwen, jongeren hebben een andere reactie dan ouderen, en daarbij reageert elk mens ook nog op zijn eigen manier.


In het algemeen wordt onder verantwoord gebruik verstaan:

  • niet dagelijks drinken;
  • niet meer dan twee (voor vrouwen) of drie (voor mannen) glazen per keer;
  • niet in combinatie met werk, sport of verkeersdeelname;
  • niet wanneer je zwanger bent, borstvoeding geeft of medicijnen gebruikt;
  • niet wanneer je het gebruikt om vermoeidheid, spanningen of problemen beter aan te kunnen.


Alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid

 

Een patroon van onaangepast gebruik van alcohol dat leidt tot duidelijke beperkingen of lijden, zoals blijkt uit ten minste één van de volgende kenmerken die zich gedurende een periode van 12 maanden of langer voordoen:


1) herhaaldelijk niet nakomen van verplichtingen op het werk (verzuim, slecht werk), op school (schorsing of verwijdering) of thuis (verwaarlozing van kinderen of huishouden) als gevolg van alcoholgebruik;


2) herhaaldelijk gebruik van alcohol is situaties waarin dat gevaarlijk is of kan zijn (autorijden of een machine bedienen onder invloed van alcohol);


3) herhaalde door alcohol veroorzaakte problemen met politie of justitie (verstoring van de openbare orde);


4) voortdurend gebruik van alcohol ondanks sociale of relationele problemen samenhangend met of verergerd door alcoholgebruik (ruzie met partner over alcoholgebruik, vechtpartijen).


Veel mensen maken wel een periode door waarin hun alcoholgebruik uit de hand dreigt te lopen. De meeste mensen stellen dan orde op zaken en gaan minder drinken. Sommigen willen dat niet of slagen er niet in. Dan kan alcoholmisbruik over gaan in alcoholafhankelijkheid.



Alcoholafhankelijkheid

  • je lichaam steeds meer nodig heeft om hetzelfde effect te bereiken;
  • bijna alles om het alcoholgebruik gaat draaien (steeds eraan denken);
  • je last krijgt van trillen, hoofdpijn, irritatie of andere nare klachten (ontwenningsverschijnselen) als je minder drinkt dan gebruikelijk;
  • het je ondanks meerdere pogingen niet lukt om langere tijd niet of veel minder te drinken.


Mensen die merken dat ze problemen hebben met het onder controle houden van hun alcoholgebruik, praten er, meestal uit schaamte, liever niet over. Soms maken ze zich zorgen over hun alcoholgebruik, maar aan de andere kant vinden ze het ook 'wel meevalt'. Ze kunnen heus wel eens  een dag zonder alcohol.


Wellicht vind je zelf ook dat je wel eens te veel drinkt en denk je minder te gaan drinken als bepaalde problemen voorbij zijn. Mensen in je naaste omgeving kunnen kritiek geven op je drinken en vinden dat je er nu maar eens mee moet stoppen. Zij zeggen bijvoorbeeld dat het slecht is voor je gezondheid om zoveel te drinken.


Typerend voor veel zware drinkers is dat ze:


A: drinken om het effect van alcohol, onder andere verbeterde stemming en minder spanningen.


En daarbij:


B: denk hierbij aan o.a.:

- ontkennen dat alcoholgebruik voor hen een probleem is;

- eerder de oorzaak elders zoeken;

- trachten het drinken met argumenten goed te praten;

- stiekem drinken;

- een excuus zoeken of een leugentje voor bestwil vertellen om te kunnen gaan drinken.


Voor hen tellen vooral de pluspunten van drinken op korte termijn.



Symptomen


Alcoholgebruik heeft zowel lichamelijk, geestelijk als sociaal een sterke invloed op je functioneren.

Alcohol is een chemische stof die in je lichaam verwerkt moet worden, waarbij onder andere de lever, maag en hersenen een zware taak hebben.

Het lichaam beschouwt alcohol als een giftige stof, die onschadelijk gemaakt moet worden. Dat gebeurt voor 95% door de lever. De resterende 5% verlaat het lichaam via de urine, adem en zweet. De lever heeft anderhalf uur nodig om een glas alcohol te verwerken (af te breken).

Dat proces kan niet versneld worden. Het is dan ook een fabeltje te denken dat je eerder weer nuchter zou zijn door koffie te drinken.


Alcohol werkt ook als een spierverslapper. Dat merk je aan wat mensen wel noemen 'alcohol in de benen hebben zitten' en aan het lomer worden na het drinken van veel alcohol. Ook praten met dubbele tong is een gevolg van het minder invloed hebben op je motoriek. De nieren zijn verantwoordelijk voor de bekende 'kater'. Door de hoeveelheid alcohol die ze te verwerken krijgen worden ze aangezet tot extra vochtafscheiding. Dat vocht moeten ze van plaatsen halen die het eigenlijk niet kunnen missen en dat geeft het bekende beroerde gevoel. Ondanks de hoeveelheden vocht/alcohol die je hebt gedronken lijdt je toch aan uitdroging.


Ook kun je als je regelmatig te veel drinkt last krijgen van een 'black-out', een tijdelijke stoornis van de hersenen die maakt dat je even geen nieuwe informatie opneemt. Zelf heb je op zo'n moment niet in de gaten wat er aan de hand is en ook je omgeving merkt niet dat er iets mis is met je geheugen, want je lijkt nog prima te functioneren. Je merkt pas wanneer je nuchter bent dat er niets is blijven hangen van wat er tijdens de black-out is gebeurd. Je weet bijvoorbeeld de volgende ochtend niet meer hoe je de avond daarvoor thuisgekomen bent.


Je merkt dus dat dat zowel je geest als je lichaam door alcohol langzamer gaat werken; je bloed brengt de alcohol overal in je lichaam, waardoor ook je hele lichaam er effect van ondervindt. Je concentratievermogen neemt af en je reageert trager. Door te veel alcohol denk je niet meer zo goed na bij wat je zegt en doet. Je zegt eerder dingen waar je later spijt van krijgt. Je bent sneller geïrriteerd of wordt zelfs agressief. 

Op sociaal gebied zie je dat je door het gebruik van alcohol steeds onzekerder wordt. 


Aan je gezicht kunnen mensen vaak zien wanneer je gedronken hebt. Je hebt last van rode ogen of een opgeblazen gezicht. Soms ruiken ze het ook aan je adem. Je merkt dat je je steeds meer gaat terugtrekken in je eigen wereldje. Je mening durf je vaak niet meer te geven. Je omgeving neemt jou ook dikwijls niet serieus, wanneer je drinkt. Je gaat je contacten zoeken op plekken waar veel gedronken wordt. Dat voelt veilig. Daar wordt je niet aangesproken op je alcoholgebruik. Integendeel, daar hoor je erbij, wanneer je drinkt.



Vroege en late symptomen


Regelmatig grote hoeveelheden alcohol drinken kan op meerdere levensterreinen invloed hebben. Hoe langer je regelmatig drinkt, hoe meer problemen zich kunnen ontwikkelen. Denk aan leveraandoeningen, hersenbeschadigingen, angst- en stemmingsklachten en seksuele problemen. Als je regelmatig te veel drinkt, kunnen de moeilijkheden op lichamelijk, sociaal en psychisch vlak elkaar versterken en de situatie verergeren.




VOEDINGS- EN EETSTOORNISSEN


Een voedings/eetstoornis is een psychische aandoening, een afwijking van het normale eetgedrag behorend bij de leeftijd, het geslacht, en dergelijke. Het probleem kan zich bevinden in de hoeveelheid voedsel die iemand tot zich neemt (te veel of te weinig), in eetaanvallen, in het uitbraken van voedsel (met als doel gewichtscontrole), in voedselweigering, et cetera. Indien de betrokkene lijdt aan overeten, ontstaat het risico van obesitas (overgewicht).


Hieronder zijn een aantal belangrijke voedings- en eetstoornissen beschreven:


  • Pica: pica is een stoornis waarbij niet-eetbare dingen worden genuttigd, gedurende ten minste 1 maand, niet passend bij de ontwikkelingsleeftijd of de cultuur. Wat gegeten wordt, varieert met de leeftijd: op jonge leeftijd is dit verf, haar of stof; oudere kinderen eten zand, insecten, bladeren of steentjes en adolescenten en volwassenen eten klei en grond. De stoornis komt vaak voor in combinatie met mentale retardatie (geestelijke achterstand) of een autisme- spectrumstoornis, maar kan in zeldzame gevallen ook voorkomen bij schizofrenie of bij zwangerschap. De stoornis kan aan het licht komen door medische complicaties die er het gevolg van zijn, zoals darmobstructies, -perforaties of -infecties.Armoede , verwaarlozing en gebrek aan (ouderlijk) toezicht vergroten de kans op het ontstaan. Wanneer het gestoorde eetgedrag voorkomt in combinatie met een andere psychische stoornis, dan kwalificeert pica zich voor classificatie als aparte stoornis als deze zo ernstig is dat hiervoor behandeling nodig is.
  • Ruminatiestoornis: kenmerkend voor deze stoornis is het herhaaldelijk regurgiteren (oprispen) en herkauwen van voedsel, gedurende minimaal 1 maand. Gedeeltelijk verteerd voedsel wordt teruggebracht naar de mond, zonder dat er sprake is van misselijkheid, kokhalzen of gastro-intestinale aandoeningen. Het voedsel wordt dan uitgespuugd of opnieuw gekauwd en doorgeslikt.
  • Kinderen met een ruminatiestoornis kunnen achterblijvende groei laten zien, bij een normaal eetpatroon; bij adolescenten en volwassenen wordt dit niet gezien. Psychosociale problemen, zoals verwaarlozing en onderstimulatie, stressvolle situaties en ouder-kindrelatieproblemen, maar ook mentale retardatie (geestelijke achterstand) kunnen de stoornis uitlokken, die als een gewoonte wordt beleefd. De stoornis wordt ontdekt door de houding die een kind aanneemt en de geur die iemand verspreidt; volwassenen trachten het door kuchen te verbloemen, maar kunnen ook het eten in gezelschap gaan vermijden.
  • Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder (AFRID): het belangrijkste kenmerk van ARFRID is dat er een voedings- of eetstoornis bestaat die er toe leidt dat de betrokkene te weinig binnenkrijgt, zoals blijkt uit gewichtsverlies, of onvoldoende gewichtstoename tijdens de groei bij kinderen, een voedingsdeficiëntie, afhankelijk van enterale voeding of aanvullende voedingssupplementen en een verstoring van het psychosociaal functioneren. De stoornis treedt niet uitsluitend op ten tijde van an of bn en leidt niet tot een verstoord lichaamsbeeld. Zo kan een negatieve conditionering zijn opgetreden na een medische ingreep, bijvoorbeeld een oesofagoscopie (onderzoek slokdarm met endoscoop), of na een stikervaring of hevig braken, maar ook kan de stoornis ontstaan op basis van hypersensitiviteit in het mondgebied. Dikwijls ligt er een aanzienlijke periode tussen het ontstaan en de klinische presentatie van ARFID en er is, in tegenstelling tot de andere eetstoornissen, een gelijke man-vrouwverdeling.
  • Anorexia nervosa (magerzucht): men zal er alles aan doen om heimelijk wegen te vinden niet te hoeven eten
  • Boulimia nervosa: men is sterk geobsedeerd om heimelijk veel te eten en dit kort daarna weer uit te braken, of te laxeren.Afhankelijk van de effectiviteit van braken of laxeren zal de betrokkene in gewicht afnemen of toenemen. Daarnaast is er nog een restgroep: eetstoornis niet anderszins omschreven. Hieronder vallen stoornissen die wel afwijkingen van het eetgedrag betreffen, maar niet onder de bovengenoemde ziektebeelden vallen.
  • Eetbuistoornis: deze eetstoornis heeft grote overeenkomsten met boulimia nervosa doordat de betrokkene aan eetbuien lijdt, maar het compensatiegedrag (braken ect.) ontbreekt. Als gevolg hiervan kan de patiënt gewichtsproblemen ontwikkelen. Dit kan vervolgens weer tot lichamelijke en psychische klachten leiden. Eetbuien komen veel voor bij mensen die lijnen. Abnormaal eetgedrag onderscheidt men in: emotioneel eetgedrag: (eten wanneer bij negatieve emoties als depressie of spanning) of extern eetgedrag: (eten omdat er eten is (geur, smaak, zichtbaarheid van voedsel) ook al heeft men net gegeten).
  • Selectieve eetstoornis: waarbij men heel kieskeurig is over wat men wel en niet eet.


Mogelijk oorzaken voor een voedings- en eetstoornisssen


De oorzaken voor een voedings- en eetstoornis kunnen op verschillende manieren uitgelegd worden.


1) Naar gelang het tijdstip van ontwikkeling kunnen voorbeschikkende, uitlokkende of in stand houdende factoren onderscheiden worden.


- Voorbeschikkende factoren: zijn vooral terug te vinden bij mensen die in hun persoonlijkheid meer kwetsbaar zijn bijvoorbeeld: angstig, weinig zelfvertrouwen, erg perfectionistisch en behoefte aan controle over het leven

Het gezin kan invloed hebben wanneer er bijvoorbeeld weinig over emoties gepraat wordt of als er veel ruzies leven. De maatschappij kan als voorbeschikkende factor invloed hebben doordat vrouwen meer bestookt worden met zogenaamde ideale maten. Daarnaast komen ook tegenstrijdige verwachtingen naar boven, zoals sterk zijn (in de buitenwereld) tegenover zorgzaamheid (in het huisgezin).


- Uitlokkende factoren: doen zich voor bij bijvoorbeeld het overlijden van een dierbare of bij opmerkingen over het uiterlijk. Voor wie al kwetsbaar is, kunnen zulke gebeurtenissen er net te veel aan zijn en verhogen zij het risico van een eetstoornis.


- In stand houdende factoren: zijn omstandigheden waardoor de betrokkene aan de eetstoornis blijft lijden.

Zo brengt een eetstoornis tal van fysische processen op gang, met emotionele en cognitieve problemen tot gevolg, die de eetstoornis nog versterken. Soms gaat een patiënt over tot compenserende maatregelen zoals vasten of overdadig sporten, waardoor het hongergevoel vaak te sterk op de proef wordt gesteld, met nadien een verhoogde kans op eetbuien.



2) Voedings- en eetstoornissen kunnen ook ingedeeld worden naargelang het niveau waarop beïnvloedende factoren meespelen.


- Op microniveau: gaat het om factoren die binnen de persoon spelen: met name lichamelijke, psychologische en/of persoonlijkheidselementen.

Lichamelijke factoren kunnen zich voordoen op hormonaal vlak. Het huishoudingssysteem van het lichaam wordt uit balans gebracht.

Psychische gevolgen van een eetstoornis zijn bijvoorbeeld meer rigide denken of depressieve neigingen. Ook hebben patiënten vaker de neiging tot dwangneuroses, zoals het vasthouden aan een al te sterke dagstructuur of aan vaste voedingsmiddelen.

Persoonlijkheidsfactoren zijn mogelijk een lagere zelfwaardering, onvrede met het eigen uiterlijk of traumatische belevenissen in het verleden.


- Op mesoniveau: gaat het om de interactie tussen mensen. Het gaat dan vooral om de druk die een betrokkene voelt in de communicatie met medemensen. Mogelijk ook kan een patiënt moeilijker omgaan met ruzies of het opkomen voor een eigen mening.


- Op macroniveau: gaat het om maatschappelijke of culturele factoren. In de westerse samenleving gaat het vaak om een slankheidsideaal versus overconsumptie.


- Vanuit de Anonieme Overeters: wordt de direct aanleiding van een overdadige eetbui of een voedselweigering toegeschreven aan een hongergevoel, aan boosheid, aan een gevoel van eenzaamheid of aan vermoeidheid.


Samengevat, eenvoedings- en eetstoornis komt vaker voor bij patiënten met verhoogd risico van kwetsbaarheid of bovengemiddeld weerbaarheidsgebrek. De stressbestendigheid bij deze mensen is kleiner, waardoor omstandigheden van binnenaf (interpretaties en eigen gevoel) of buitenuit (omgevingsfactoren) sneller subjectief als belastend worden ervaren.



* Heeft u vragen over 'Alcoholproblemen, Voedingsproblemen en Eetstoornissen'? Neem vrijblijvend contact op met onze praktijk.