Autisme ASS, PDDNOS en ADHD

pagina is in bewerking


UITGANGSPUNT


AUTISME OF AUTISME SPECTRUM STOORNISSEN (ASS)


Autisme, of Autismespectrumstoornis (ASS) is een levenslange ontwikkelingsstoornis die invloed heeft op alle levensgebieden. Bij iemand met autisme is de prikkel- en informatieverwerking in de hersenen verstoord. De informatie die via de zintuigen binnenkomt wordt op een andere manier verwerkt. Mensen met autisme hebben vooral moeite de losse details die ze waarnemen tot een samenhangend geheel te maken. Zie het als een puzzel waar alle stukjes van aanwezig zijn, maar waarvan het voorbeeld ontbreekt.Door het gebrek aan samenhang heeft zo iemand moeite om de wereld om zich heen te begrijpen.


Kinderen en jongeren (en volwassenen) met ASS hebben problemen in de sociale omgang, de communicatie en het inlevingsvermogen. Daarnaast hebben ze beperkte interesses en gedrag. Ook is er vaak sprake van over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels.



Wat zijn de meest voorkomende problemen bij autisme?


Een stoornis in het autistisch spectrum heeft gevolgen voor:

  • Sociale relaties: Kinderen met ASS hebben moeite met het ontwikkelen van relaties met leeftijdgenootjes, het delen van eigen interesses met anderen en het interpreteren van non-verbaal gedrag (gebaren, gezichtsuitdrukkingen e.d.) Daarmee komen ze vaak 'stug' en ongeïnteresseerd over terwijl ze dat niet zijn. In het contact is er vaak sprake van eenrichtingsverkeer: de jongere met autisme vraagt bijvoorbeeld niet spontaan aan een ander hoe het gaat of blijft doorpraten over een onderwerp dat hem interesseert  zonder te merken dat de ander het niet boeiend vindt. Jeugdigen met ASS hebben ook moeite de juiste rol toe te kennen aan verschillende personen. Dit kan in de praktijk betekenen dat ze bijvoorbeeld te open zijn in aanwezigheid van vreemden of juist te gesloten bij goede bekenden.
  • Taal- en spraakontwikkeling: De spraakontwikkeling kan bij kinderen met autisme langzamer verlopen dan normaal. Een deel van de kinderen met autisme en een verstandelijke beperking leert nooit spreken. Kinderen met ASS en een normaal algemeen ontwikkelingsniveau leren meestal goed spreken, maar bij hen hoor je vaak wel een monotone intonatie of opvallend woordgebruik (bijvoorbeeld zinnen blijven herhalen of onbestaande woorden gebruiken). Daarnaast nemen ze taal erg letterlijk. Ze begrijpen beeldspraak en spreekwoorden vaak niet, wat kan leiden tot angst (bijvoorbeeld een jongen die s'avonds niet naar buiten durfde omdat de nacht ging vallen.
  • Stereotypieën, beperkte interesses en moeite met verandering: Sommige kinderen met ASS, vooral die met een lager IQ, fladderen met de handen of armen, springen bij opwinding, lopen op hun tenen of maken stereotype (zich herhalende) bewegingen. Jeugdigen met ASS zijn meer gericht op het waarneembare en op details en minder op de bedoeling of betekenis achter de waarneembare zaken. Daardoor hebben ze veel moeite om overzicht te houden en hebben ze veel structuur nodig. Gevolg is dat kinderen en jongeren met ASS, ook die met een normaal of hoog IQ, sterk gehecht zijn aan vaste routines en rituelen. Ze kunnen er slecht tegen wanneer er dingen veranderen of anders verlopen dan ze gewend zijn. Dat kan zorgen voor angst of woede en driftaanvallen. Ook kan er sprake zijn van een eenzijdige of weer beperkte belangstelling voor bepaalde onderwerpen, zoals fascinatie voor treinen, computers of landkaarten.
  • Gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels: Onder prikkels verstaan we datgene wat een kind hoort, ziet voelt, proeft of ruikt, maar ook wat er intern bij het kind zelf opkomt. Kinderen met ASS kunnen op een afwijkende manier omgaan met zintuiglijke prikkels. Ze kunnen veel minder gevoelig zijn voor prikkels ( nauwelijks reageren op pijn bijvoorbeeld of in de klas niet reageren op een opmerking van de leerkracht die voor alle kinderen bedoeld is).


IJsbergtheorie


Kinderen met een Autisme spectrum Stoornis (ASS) volgen steeds meer het reguliere onderwijs. En zeker met de regeling "passend onderwijs" is dit een vereiste. Het is belangrijk dat leerkrachten inzicht verkrijgen in het gedrag, het denken en het leren van kinderen met autisme. Voor een aangepaste onderwijsstijl moet niet worden uitgegaan van het gedrag of de oppervlakte van autisme, maar van de binnenkant, dat wil zeggen de wijze waarop leerlingen met autisme waarnemen en die waarnemingen verwerken in hun hersenen.


De cognitieve stijl van leerlingen met autisme kenmerkt zich door moeilijkheden bij het verlenen van betekenis aan wat waargenomen wordt, mede door de problemen met samenhang en context zien. Bij leerlingen met autisme wordt de zintuiglijke informatie op een ongewone manier verwerkt.

Zij horen, voelen, zien net als wij, maar de hersenen van leerlingen met autisme gaan op een andere manier om met die informatie. Deze verstoorde waarneming uit zich vaak in gedragsproblemen, waarbij wat men ziet aan gedrag - de symptomen - niet behandeld moeten  worden, maar dat de begeleiding vanuit het autisme moet gaan gebeuren (de ijsbergtheorie).


IJsbergtheorie:


- zichtbare deel = het geobserveerde gedrag

- onzichbare deel = de oorzaak


Het is belangrijk om de juiste oorzaak te weten om daar het behandelingsplan op te richten. Het gedrag is het topje van de ijsberg en de oorzaak kan veel breder zijn. Goed observeren is essentieel.



Met welke andere problemen gaat autisme vaak samen?


Het is bekend dat bij mensen met autisme veel verschillende psychiatrische problemen kunnen voorkomen, die ook bekend zijn uit andere psychiatrische ziektebeelden. Soms zijn het problemen die bij het ASS-beeld behoren. Soms is er echt sprake van een combinatie van ASS met andere problemen.


De volgende problemen komen vrij veel voor bij kinderen met ASS:


  • Aandacht- en concentratieproblemen (ADHD)
  • Hyperactiviteit
  • Epilepsie
  • Angsten
  • Depressieve symptomen, prikkelbaarheid
  • Slaapstoornissen
  • Het zichzelf beschadigen
  • Tics




PDDNOS


Omdat bij autisme en PDDNOS de kernproblemen zo op elkaar lijken, worden ze allemaal samen aangeduid met de verzamelnaam 'pervasieve ontwikkelingsstoornis' (in het Engels: Pervasive Development Disorder; afgekort PDD).


De problemen van kinderen met een PDDNOS kunnen zich op verschillende gebieden voordoen, bijvoorbeeld op sociaal gebied of op het gebied van de taal. Zo'n gebied noemen we een "domein". Binnen deze domeinen van gedrag of psychisch functioneren kunnen de problemen variëren in ernst: van zeer subtiel, minder subtiel, duidelijk, ernstig tot zeer ernstig. De problemen kunnen dus op meerdere, of zelfs op alle gebieden heel ernstig zijn of zich op maar één specifiek  domein uiten en heel licht zijn. De overgangen tussen deze verschillende profielen zijn heel geleidelijk. het is niet precies duidelijk waar het een ophoudt en het ander begint. Er kan dus sprake zijn van een "waaier" van mogelijke problemen en combinaties van problemen.


Aan de ene kant van de 'waaier" zien we dan de meest ernstige gehandicapte kinderen. Deze groep komt overeen met de kinderen op wie de naam autisme (of Autistische Stoornis) van toepassing is. Aan de andere kant van de "waaier" bevinden zich de kinderen met problemen op een enkel domein, zoals kinderen met een erg onhandige motoriek, kinderen met specifieke leerstoornissen (bijvoorbeeld woordblindheid), kinderen met taal ontwikkelingsstoornissen of kinderen met een geïsoleerde zwakte in hun sociale intuïtie. Bij deze kinderen blijft de problematiek dus 'smal', dat wil zeggen beperkt tot een domein. Tussen deze twee uitersten ligt de problematiek van kinderen met een PDDNOS. 


De belangrijkste domeinen die een rol spelen bij een PDDNOS zetten we hier op een rijtje:


Problemen in het sociale domein. We hebben hier een onderscheid gemaakt in:

  • het contact (neiging tot interacteren);
  • het snappen en aanvoelen van sociale informatie;
  • het besturen van het (sociale) gedrag zodat dit past bij de sociale context;
  • het flexibel en met gemak kunnen reageren op veranderende informatie.

 

Problemen in het sociale domein zijn het meest kenmerkend voor kinderen met een PDDNOS en spelen bij al deze kinderen een rol. Je zou kunnen zeggen dat kinderen met een PDDNOS deze problemen met elkaar gemeen hebben: het zijn de kernproblemen.

De kernproblemen kunnen wel in ernst van elkaar verschillen. De sociale problemen van kinderen met een PDDNOS lijken op de problemen die we bij kinderen met autisme zien. Ze zijn bij de kinderen met een PDDNOS over het algemeen (duidelijk) minder ernstig dan bij kinderen met autisme. Dus de aard van de problemen is dezelfde


Soms, en in sommige domeinen vooral op jonge leeftijd, kunnen erbij kinderen met een PDDNOS ook problemen zijn in:

  • de reactie op interne en externe prikkels;
  • het praten en de taal;
  • de intelligentie,
  • de motoriek.

Ook deze extra problemen, als ze aanwezig zijn, kunnen in mate van ernst variëren. Bij kinderen met autisme komen deze problemen vaak allemaal voor en zijn ze veel ernstiger.


Daarnaast kunnen nog een aantal andere problemen een rol spelen. We noemen hier met name:

  • hyperactiviteit;
  • impulsiviteit;
  • concentratieproblemen;
  • tics.

Stoornissen in de aandacht, impulsiviteit en hyperactiviteit zijn kenmerkend voor kinderen met ADHD (Aandachtstekortstoornis met Hyperactiviteit)

Tics zijn kenmerkend voor kinderen met de stoornis van Gilles de la Tourette (GTS).




ADHD


Definitie


ADHD is de afkorting voor de Engelse term Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Het betekent een stoornis waarbij je het moeilijk vindt om je aandacht ergens bij te houden en heel erg druk bent (hyperactief). Iedereen is weleens druk of heeft moeite met goed opletten, maar als je ADHD hebt, heb je hier wel erg vaak last van. Niet iedereen die ADHD heeft is hetzelfde.


ADD is de afkorting voor de Engelse term Attention Deficit Disorder (dus ADHD zonder de H van hyperactief. Het betekent een stoornis van de concentratie. Je hebt last van veel gedachten en moeite om je aandacht vast te houden. Je bent dromerig en vergeetachtig. Het is lastig om taken die je moet doen te plannen. Daardoor krijg je dingen niet af of je komt te laat. Je bent niet druk of hyperactief. Mensen denken soms dat je geen zin hebt of niet je best doet, of dat je lui en vergeetachtig bent, terwijl dat niet zo is.



Welke vormen van ADHD zijn er?


De kernsymptomen van ADHD (aandachtsproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit) kunnen bij het ene kind meer of minder aanwezig zijn dan bij het andere. Er worden drie vormen onderscheiden:

  1. Het overwegend onoplettende beeld (ADD): deze kinderen en jongeren hebben vooral moeite met de aandacht en concentratie. Ze zijn snel afgeleid en vergeetachtig. Ook hebben ze vaak enkele kenmerken van hyperactiviteit en/of impulsiviteit.
  2. Het overwegend hyperactieve-impulsieve beeld (ADHD): hierbij zien we vooral druk en impulsief gedrag. Deze kinderen en jongeren lijken nooit stil te kunnen zitten, praten vaak en veel en verstoren andermans gesprekken of bezigheden.
  3. Het gecombineerde beeld (ADHD/ADD): dit komt het meest voor en wordt gekenmerkt door problemen met aandacht en concentratie en druk, beweeglijk en impulsief gedrag.


Jongens en meisjes


ADHD uit zich bij meisjes anders dan bij jongens. Bij meisjes zien we vaker het overwegend onoplettende beeld. Dit betekent niet dat de andere vormen bij meisjes niet voorkomen. En andersom kan het overwegend onoplettende beeld ook bij jongens voorkomen. Omdat deze kinderen minder druk zijn, is dit gedrag minder opvallend. De kans bestaat dat deze kinderen minder snel worden doorverwezen voor diagnostiek en behandeling. Zij kunnen als gevolg ook onderpresteren op school. Door de gevolgen van hyperactief gedrag zie je bij jongens meer ruw en agressief gedrag. De omgeving ziet dit vaak als lastig en storend. Jongens worden vaak op jongere leeftijd (basisschoolleeftijd) doorverwezen voor diagnostiek en behandeling.



Leeftijd


Naast verschillen tussen jongens en meisjes verandert het ADHD-beeld vaak als kinderen ouder worden. Kinderen die eerst de ene vorm van ADHD vertonen, kunnen een paar maanden later een andere vorm laten zien. Hyperactiviteit verandert vaak in innerlijke onrust. Aandachts- en concentratieproblemen vallen meer op naarmate het kind ouder wordt.


Sommige kinderen en jongeren met ADHD hebben veel last van een of meer van onderstaande problemen.


Aandachtsproblemen


  • Let vaak niet goed op details of maakt slordigheidsfouten in schoolwerk of bij andere activiteiten;
  • Heeft vaak moeite om de aandacht bij een taak of spel te houden;
  • Lijkt vaak niet te luisteren wanneer iemand het woord tot hem of haar richt;
  • Heeft vaak moeite om instructies te volgen en maakt schoolwerk, taken of verplichtingen op het werk niet af;
  • Heeft vaak moeite om taken en activiteiten te organiseren;
  • Gaat taken die een langdurige mentale inzet vereisen (zoals schoolwerk of huiswerk) vaak uit de weg, heeft er een hekel aan of toont tegenzin ermee te beginnen;
  • Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, opgaven van school, potloden, boeken of gereedschap);
  • Wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels;
  • Is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden.

Hyperactiviteit

  • Beweegt vaak onrustig de handen of voeten of wiebelt op zijn stoel;
  • Staat op van zijn plaats in de klas of in andere situaties waar wordt verwacht dat iemand blijft zitten;
  • Rent in situaties waar dit ongepast is vaak rond of klautert overal in (bij adolescenten en volwassenen kan dit beperkt blijven tot een subjectief gevoel van rusteloosheid);
  • Kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannen activiteiten;
  • Is vaak in de weer of draaft maar door;
  • Praat vaak aan een stuk door.


Impulsiviteit

  • Gooit het antwoord er al uit voordat de vraag is afgemaakt;
  • Verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op;
  • Heeft vaak moeite met op zijn/haar beurt te wachten.


Als deze kenmerken hun dagelijks functioneren duidelijk in de weg staan, kan er sprake zijn van ADHD of 'Aandachtsdeficiëntie-hyperactiviteits-stoornis'. De problemen spelen dan in meerdere situaties, zoals op school, thuis en bij vrienden.



Hoe ontstaat ADHD?


Erfelijkheid speelt een grote rol in het ontstaan van ADHD. Broertjes en zusjes van kinderen met ADHD hebben 2 tot 3 keer hogere kans om zelf ADHD te krijgen dan kinderen uit een gezin waarin geen ADHD voorkomt. Uit onderzoek blijkt dat ADHD voor ongeveer 80% bepaald wordt door erfelijkheid, dat is ongeveer vergelijkbaar met de invloed van erfelijkheid op de lichaamslengte.



Welke genen spelen er mee?


Op zoek naar de oorzaken van ADHD proberen wetenschappers een antwoord te vinden op de vraag of bepaalde genen (erfelijk materiaal) een rol spelen bij ADHD. Op dit moment zijn er geen specifieke genen  voor ADHD ontdekt. Dat is ook niet te verwachten. Men denkt dat bij ADHD meerdere genen een rol spelen en dat ook omgevingsfactoren een belangrijke invloed hebben. Er zijn meerdere 'verdachte' genen gevonden die mogelijk meespelen bij het ontstaan van ADHD.



Wat is de invloed van de omgeving?


De genen bepalen dus voor een belangrijk deel de kwetsbaarheid of 'aanleg' van een kind voor ADHD. Maar het ontwikkelen van ADHD is niet onvermijdelijk als een kind er genetisch aanleg voor heeft. Invloeden vanuit de omgeving kunnen de genetische eigenschappen versterken of verzwakken. Al voor de geboorte kan blootstelling aan nicotine, alcohol, zware metalen en bepaalde chemische stoffen of een tekort aan voedingsstoffen de kwetsbaarheid van het kind vergroten. Ook stress in het gezin, geldzorgen, ziekte van gezinsleden en een ongeorganiseerde gezinsomgeving worden in verband gebracht met het ontwikkelen van ADHD, Zonlicht heeft mogelijk een preventief (beschermend) effect op het ontwikkelen van ADHD-symptomen



ADHD in het gezin


Hoeveel last een kind in het dagelijkse leven heeft van ADHD hangt af van de wisselwerking tussen erfelijke aanleg en de omgeving. Doordat erfelijkheid een grote rol speelt bij ADHD, groeien kinderen met ADHD vaak op in een gezin waar een of beide ouders (en soms ook broertjes of zusjes) zelf ook kenmerken van ADHD hebben, zoals moeite met planning en organisatie. Dit kan van invloed zijn op het effect van een behandeling. Het is duidelijk dat de omgeving en de opvoeding geen ADHD veroorzaken en ook geen ADHD kunnen voorkomen.



Met welke andere problemen gaat ADHD vaak samen?


ADHD gaat bij meer dan de helft van de kinderen samen met andere problemen en stoornissen. Vaak gaat het om:

  • Gedragsstoornissen
  • Angststoornissen
  • Stemmingsstoornissen
  • Slaapproblemen
  • Autismespectrum-stoornissen (i.v.m. aandachtsproblemen)
  • Overgewicht
  • Leerstoornissen
  • Middelengebruik
  • Coördinatiestoornissen


Deze stoornissen kunnen de ADHD-symptomen verergeren en invloed hebben op het beloop. Een kind dat naast zijn ADHD ook nog opstandig en tegendraads is, zal (nog) meer problemen hebben met de leerkracht, leeftijdsgenoten en andere mensen. Ook een leerstoornis of een stoornis in de coördinatie van de motoriek kan extra problemen geven. Kinderen met ADHD hebben vaak ook (in)slaapproblemen. Het verschilt erg per kind welke stoornissen met de ADHD samengaan en welke ADHD-symptomen er op de voorgrond staan. Hierdoor zijn de problemen van elk kind met ADHD weer anders. 



* Heeft u vragen over 'Autisme Spectrum Stoornis ASS, PDDNOS en ADHD'? Neem vrijblijvend contact op met onze praktijk.